8 november 2016

Meer zorggarantie voor personen met een handicap in aanloop naar Persoonsvolgende Financiering

 

Met de introductie van de persoonsvolgende financiering staan we voor een gigantische omwenteling in de organisatie van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap. Vanzelfsprekend moeten we de transitie naar het nieuwe systeem op een zorgzame manier ter harte nemen. In die zin begrijp ik ook het signaal van de Vlaamse ombudsman.
 
Laat me toch nog eerst eens beklemtonen waarom deze grote hervorming gestart is. De ambitie is om voor personen met een beperking méér zorggarantie te kunnen geven en hen in staat te stellen zelf te beslissen hoe ze hun ondersteuning wensen vorm te geven.
 
Wij zijn er immers van overtuigd dat door de financiering meer vraaggestuurd te maken we substantieel bijdragen aan een meer inclusieve samenleving waarin ook personen met een beperking maximaal kunnen participeren.
 
En de beklijvende vraag ‘Wie zal zorg dragen voor ons kind als wij dat niet meer kunnen?’ is inderdaad de angstige vraag van vele ouders die op een ongelooflijke manier de zorg opnemen. Juist om op deze pertinente bezorgdheid een beter antwoord te kunnen geven dan vandaag is deze hervorming opgezet.
 
De hervorming is een mega-operatie. Ze bestaat uit de installatie van een basisondersteuningsbudget dat gefaseerd een recht wordt van personen met een handicap en een vastgestelde ondersteuningsnood. Sinds september ontvangt een eerste groep van gehandicapten die op 31 december 2014 én 1 januari 2016 geregistreerd stonden met een actieve zorgvraag op de Centrale Registratielijst Zorgvragen de 300 euro forfaitair per maand. Op die manier ontsnappen we voor een stuk aan de vaststelling dat het met de handicapspecifieke ondersteuning 'alles is of niets’: je wordt geprioriteerd en dan bekom je een maximale ondersteuning of helemaal  niets. Het basisondersteuningsbudget is er omdat we ervan overtuigd zijn dat dit toch ook een, weliswaar beperkte, vorm van ondersteuning en waardering is voor de mantelzorger.
 
De tweede as van de hervorming is het stelselmatig uitbreiden van de rechtstreeks toegankelijke handicapspecifieke ondersteuning. Ook hiervoor: geen administratieve procedures en toegangssystemen. Rechtstreeks toegankelijke hulp is er voor mensen met een (vermoeden van) handicap. Opnieuw doen we dat omdat we geloven dat we zo veel personen met een handicap en hun omgeving in staat stellen om flexibel zorg op maat te organiseren, zonder dat ze onmiddellijk en noodzakelijk beroep doen op intensievere vormen van ondersteuning.
 
Voor wie dit alles ontoereikend is, bestaat er ten allen tijde de toegang tot de meer intensieve vormen van handicapspecifieke ondersteuning. Om daarop beroep te kunnen doen maak je als zorgvrager, al of niet met steun van een gespecialiseerde dienst, een ondersteuningsplan. Daarbij wordt samen met de betrokkene gekeken op welke manier in praktijk beroep kan gedaan worden op reguliere vormen van ondersteuning. Want ook dat is noodzakelijk als we voor een inclusieve samenleving gaan: de zorg en dienstverlening die voor alle Vlamingen toegankelijk is, moet dat ook zijn voor personen met een beperking.
 
We beseffen dat we nog niet in staat zijn om alle vragen naar rechtstreeks toegankelijke hulp of naar deze meer intensieve ondersteuning te honoreren.
Het zal een budgettair volgehouden inspanning vergen om daar te geraken. Daarom werd aan dit parlement bij de start van de legislatuur een financieel groeipad voorgesteld en uiteindelijk door het parlement ook goedgekeurd. Elk jaar heeft de regering consequent dit groeipad in de begroting gehonoreerd. Ik kom daar dadelijk op terug.
 
Maar we moeten dus nog een aantal jaren de beschikbare middelen voor die intensievere ondersteuning op de meest rechtvaardige manier inzetten. En dat veronderstelt – of we dat nu graag hebben of niet - prioriteren.
 
Van bij de start van het hervormingstraject hebben we duidelijk gemaakt dat we ook in onze manier van prioriteiten stellen respect willen opbrengen voor de mantelzorgers die vaak – wat we in het jargon noemen – ‘buitengebruikelijke zorg’ leveren aan een dierbare. Er is net een nieuw prioriteringssysteem ontwikkeld omdat we al die mantelzorgers - of hun kind nu reeds in een voorziening zit of thuis verblijft en wacht op een betere ondersteuning - een echt perspectief willen geven op een systeem dat hun uitzonderlijke inspanningen respecteert en het feit rekent dat aan hun draagkracht ook beperkingen zijn.
 
Deze nieuwe aanvraagprocedure vertrekt vanuit de vraag van de persoon en zijn netwerk.
Bij de prioritering worden de ‘urgentie’ en de ondersteuningskloof als vertrekpunt gehanteerd.
De ervaring uit het verleden heeft ons echter geleerd dat heel wat ouders vele jaren vrijwillig bovengebruikelijke zorg leveren, bereid zijn en zelfs vragende partij zijn om hun kind zo lang mogelijk deze bovengebruikelijke zorg te blijven leveren, maar hierdoor ‘afgestraft’ worden omdat hun vraag dan  niet als ‘urgent’ wordt bestempeld. De nieuwe prioriteringsmethode houdt hier expliciet rekening mee: bovengebruikelijke zorg in het heden of het verleden wordt gehonoreerd met een hogere prioriteit – en dus een hogere kans op het sneller ter beschikking stellen van een budget.
 
Nogmaals: we zijn er ons goed van bewust dat we er de dag van vandaag nog niet in slagen om alle zorgvragen te beantwoorden. Het nieuwe systeem zal moeten groeien.  Maar het nieuwe systeem leidt, daar ben ik van overtuigd, tot méér zorggarantie en geeft de ouders die zich zorgen maken over wat met hun kind, broer of zus zal gebeuren als ze niet meer in staat zijn dat grote engagement op te nemen, wel degelijk tot het perspectief dat er op dat moment een oplossing komt.
Ik durf dat kader hier nog eens schetsen omdat het belangrijk is dat ouders van kinderen die in een goede voorziening verblijven ook moeten beseffen dat we hun bezorgdheid delen. Maar we beseffen ook dat die zorg tevens leeft bij ouders die nog geen toegang hebben tot de juiste zorg. We willen een systeem dat voor hen allen dat perspectief verbetert.
 
Iedereen beseft dat we deze ambities niet kunnen waarmaken zonder meer centen. En ofschoon de financiële toestand van de overheid er deze legislatuur beslist niet beter is op geworden, hebben we het engagement opgenomen om een groeipad voor uitbreidingsbeleid in deze regeerperiode te voorzien dat meer dan het dubbele bedraagt' van de vorige legislatuur. Men kan natuurlijk zeggen dat dat niet genoeg is, maar ik hoop toch dat iedereen zal erkennen dat het een gigantische inspanning is als je dat plaatst tegen de globale situatie van ’s lands financiën.
 
De Vlaamse regering maakt dus in 2017 het bedrag vrij zoals voorzien in de meerjarenbegroting. 117,5 miljoen euro, een investering van een nog nooit geziene grootteorde in deze sector, zal gebruikt worden om handicapspecifieke zorg te financieren via de uitbreiding van het basisondersteuningsbudget, rechtstreeks toegankelijke hulp, zorg voor minderjarigen en volwassenen. En dan zwijg ik nog over het feit dat bij de begrotingscontrole 2016 nog eens extra 30 miljoen euro in de financiering van het VAPH gefinancierd zorgaanbod werd gestoken. Ik tel dit bedrag namelijk niet eens bij de extra gemobiliseerde middelen, zoals we dat ook niet doen voor budgetstijgingen door weddedriften, loonanciënniteit e.d. Iedereen vindt dat blijkbaar normaal, maar de waarheid is dat het budget stijgt met heus wat meer middelen dan blijkt uit de tabel uitbreidingsbeleid.
 
We zitten midden in de transitie naar de persoonsvolgende financiering. Het is een complexe hervorming die niet kan vertrekken van een wit blad, maar moet inhaken op datgene wat jarenlang historisch is gegroeid en dat in de vele voorbije legislaturen eigenlijk nooit fundamenteel werd hervormd. We hebben tientallen jaren gewoon meer van hetzelfde gedaan en iedereen in de sector weet tot wat voor een bureaucratie en ingewikkelde procedures dat heeft geleid. Iedereen kent de angst van ouders als hun kind volwassen wordt en de zoektocht naar ondersteuning opnieuw moet georganiseerd worden, dit keer in de wereld van het aanbod voor volwassenen. Dat zal nu veranderen. Je zal, eens het systeem op kruissnelheid is, je van continuïteit verzekerd weten, dankzij je rugzak aan ondersteuningsmiddelen.
Net omdat die hervorming complex is hebben we veel tijd gespendeerd aan overleg met alle stakeholders. Het is immers een illusie te denken dat we dat allemaal kunnen forceren zonder draagvlak bij gebruikers, voorzieningen, diensten, enz.
Ook met de vakbonden die zich ongerust maken over het totaal loslaten van enig houvast als het gaat om kwaliteitsvolle zorg door daarvoor geschoolde medewerkers voeren we het overleg.
Ik heb me in de plenaire en in deze commissie al gepermitteerd om te pleiten voor respect voor dat overleg en de afgesproken fasering in de uitrol van het globale plan: we zijn gestart met de volwassenen en bereiden nu de invoering voor de minderjarigen voor. Voor hen starten we het systeem nog deze legislatuur op.
Overigens, net omdat we voor minderjarigen ook stoten op de grenzen van een aanbodgefinancierd systeem heb ik aangekondigd dat we die fundamentele hervorming niet afwachten. De zorgvragen worden steeds complexer en veronderstellen, binnen een integrale jeugdhulp, meer mogelijkheden om maatwerk te kunnen leveren. Zo moet het snel mogelijk worden om van een toegekende persoonsvolgende convenant te switchen naar een persoonlijk assistentiebudget. Het besluit is onderweg naar de inspectie van financiën. En in het uitbreidingsbeleid minderjarigen zullen we minder op specifiek aanbod gelabelde richtlijnen geven en voluit gaan voor flexibele inzet van de bestaande persoonsvolgende middelen zoals het persoonsvolgende assistentiebudget en de  persoonsvolgende component in afwachting van de persoonsvolgende financiering voor minderjarigen die deze regeerperiode nog van start zal gaan.

Ik maak een laatste kanttekening: wij moeten er ons van bewust zijn dat niet alle zorggebruikers/personen met een beperking en hun mantelzorgers even enthousiast vragende partij zijn voor deze grote hervorming. De wereld van personen met een beperking is zeer divers. Voor velen onder hen is er gewoon geen optie en is een goede voorziening de oplossing. En het zal hun, bij wijze van spreken, worst wezen hoe dat technisch verloopt. Anderen zullen ongetwijfeld met de nieuwe mogelijkheden aan de slag gaan en hun eigen ondersteuning organiseren. Het blijft daarom belangrijk om te beklemtonen dat we dit alles ondernemen om meer zorggarantie te realiseren.
 
Ik kom nu tot de kwestie die de ouders van kinderen in voorzieningen die een intensieve woonondersteuning erg bezig houdt.
In het systeem van een financiering van het aanbod, zoals we het tot op vandaag kennen, spelen de voorzieningen in op de vraag van gebruikers die theoretisch 365 dagen, 7 dagen op 7 een beroep zouden kunnen doen op een aanbod aan intensieve woonondersteuning, maar die hierbij gebruik maakten van toegestane afwezigheidsdagen. Dat systeem dateert in feite nog van voor de flexibiliseringsoperatie die we met het FAM (flexibel aanbod meerderjarigen) – in voorbereiding van de komst van een persoonsvolgend financieringssysteem hebben doorgezet. De overheid financierde een plaats in een voorziening als zijnde permanent bezet, ook al was de betrokkene, dank zij de goede zorgen van familie niet permanent aanwezig. Je mocht de toegelaten afwezigheidsdagen thuis zijn zonder dat de instelling op de financiering moest inboeten. Met de komst van het systeem van het ‘flexibel aanbod meerderjarigen’ werd de aanwending van de middelen nog meer voorwerp van sociaal ondernemen: hoe kan je met de beschikbare middelen de zorgvragen zo goed mogelijk en op maat beantwoorden? Het is de voorziening die daarmee aan de slag gaat. Het al dan niet kunnen inspelen op de vraag van de gebruikers om, bijvoorbeeld, een beroep te doen op weekendopvang wordt georganiseerd binnen de beschikbare capaciteit van de voorziening. In de praktijk organiseren de voorzieningen de flexibiliteit aldus op een geëigende wijze en zo spelen ze in op de vragen van de gebruiker en zijn mantelzorger(s).
 
Aan de vooravond van de omschakeling van een aanbod- naar vraaggestuurd financieringssysteem leven de ouders en familie in de overtuiging dat ze, indien om een of andere reden een einde of beperking is gekomen aan hun draagkracht en thuis de opvang in de weekends niet meer mogelijk is, het volstaat om af te zien van het gebruik van toegelaten afwezigheidsdagen.
Ze kunnen rekenen op een 7op7-dagen opvang in de voorziening waar ze het meest tevreden over zijn.
De onrust is ontstaan omdat – met het oog op de geleidelijke omslag van instellingfinanciering naar rugzakfinanciering - noodzakelijkerwijs een inschaling moet gebeuren van iedereen die nu gebruik maakt van dat aanbodgestuurd financieringssysteem. Voor die inschaling – die overigens gebeurd is met goedkeuring van het raadgevend comité van het VAPH - is het zorggebruik van elke ondersteunde persoon met een beperking gemeten en getoetst aan de reële zorgzwaarte. Op dat laatste is steekproefgewijs een controle gebeurd door de multidisciplinaire teams met gebruik van het zorgzwaarte-inschalingsinstrument. Het VAPH bewaakt op macro niveau of de oefening budgettair neutraal is.
Die complexe oefening en de vertaling van de hele operatie in de communicatie naar elke betrokkene alsook ook naar de voorzieningen is nu volop bezig. In die communicatie zal voor elke betrokkene duidelijk gemaakt moeten worden hoe hij of zij, indien gewenst, aan de slag kan met een persoonsvolgend budget. Maar uiteraard moet het goede evenwicht gevonden worden in het ritme van de transitie om de rechtmatige verwachtingen van de betrokkenen niet plots te bruuskeren.
 
De kritiek is nu dat men eigenlijk als het ware gepenaliseerd wordt bij die inschalingsoefening net omdat men als mantelzorger zijn uiterste best doet en thuis opvang organiseert en dus te goeder trouw gebruikt heeft gemaakt van wat voor betrokkene ‘toegelaten afwezigheidsdagen’ waren. In de overtuiging dat men van dat gebruik ook kan afzien.
 
We hebben hierover met de vereniging van ouders in voorzieningen en vele andere stakeholders veelvuldig gesproken. Eigenlijk ontstaat er een merkwaardige paradox: er is nog nooit zoveel geld geïnvesteerd in de ondersteuning, we gaan naar een systeem van meer zorggarantie en de betrokken families van personen die rekenen op een intensieve woonondersteuning ervaren precies het tegenovergestelde: hen zou de terugval op een intensieve woonondersteuning 7op 7 worden ontzegd.
 
Dit kan inderdaad niet de bedoeling zijn. Wij moeten de waarborg geven dat het mogelijk is dat iemand die gebruik maakt van een intensieve woonondersteuning gedurende 5 dagen kan terugvallen op een ondersteuning van 7op7 dagen als dat nodig blijkt. In de praktijk ben ik ervan overtuigd dat vele voorzieningen spontaan die geruststelling en dat engagement ook geven aan de familie en de betrokkene. En evenzo bestaan er in de praktijk al heel wat mechanismen waarmee een voorziening  samen met de zorgvrager dit engagement financieel hard kan maken. Er is al naar verwezen: budgetten die er zijn voor noodsituaties, vormen van kortverblijf enz. Bovendien, ik herhaal het nog eens, kan bij een wijzigende ondersteuningsnood gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om met een vorm van prioriteit de extra middelen te bekomen. De draagkracht van de mantelzorgers is hierin zoals gezegd een expliciet criterium.
 
Maar ik denk dat we na alle onrust die ontstaan is duidelijk moeten zijn: diegenen die nu een intensieve woonondersteuning hebben tijdens de weekdagen en die daar in de toekomst 365 dagen willen op kunnen rekenen, die moeten wij – en dus ook de betrokken voorzieningen - die waarborg geven. Dat zijn we aan die mantelzorgers verplicht. Dat is ook een van de voornaamste bestaansredenen voor die hervorming.
 
We zullen daarover met de voorzieningen goede afspraken maken. Want zij zullen dat engagement in de praktijk waar moeten maken.
Zoals gezegd: uit de vele gesprekken weet ik dat dat ook de oprechte intentie is van vele voorzieningen.
 
Wij zitten midden in de grootste hervorming ooit als het gaat over de handicapspecifieke ondersteuning van onze medeburgers. Ik maak me niet de illusie dat dat allemaal zonder slag of stoot en zonder intens overleg en bijsturen kan gebeuren. Maar ik durf hier toch de hoop uitspreken dat we het er over eens zijn dat we die hervorming moeten doorzetten.

Het is voor mij de enige manier om op termijn een echt inclusieve samenleving met meer zorggarantie te realiseren. We mogen ons van die koers niet laten afleiden en mogen niet in de verleiding komen om - zoals we dat in de politiek helaas vaak doen - ad hoc en naar aanleiding van soms aangrijpende en schrijnende situaties die de grenzen van onze huidige aanpak illustreren weer te vervallen in punctuele reacties die de complexiteit van het systeem alleen maar vergroten. Vele betrokken stakeholders zouden kunnen opperen dat het allemaal niet voldoende of niet snel genoeg naar hun zin verloopt. Ik hoop dat zij inzien dat nu het moment gekomen is om het plan zonder aarzeling, met overleg en bijsturing waar nodig, uit te voeren.

 

Volg mij ook via

Volg mij op Flickr