21 juni 2017

25 miljoen extra voor resolute ‘één gezin, één plan’-aanpak van Jeugdhulp

 

Het tweede intersectorale jaarverslag van de jeugdhulp bevestigt de tendensen van een nieuw jeugdhulplandschap: kinderen, jongeren en hun gezinnen maken steeds meer gebruik van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. De jeugdhulp komt steeds meer naar onze gezinnen toe. Dit is een logische en positieve evolutie die zich ook internationaal doorzet. Daarom versterkt Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin de jeugdhulp met een extra injectie van 25.000.000 euro. Hierdoor kunnen meer dan 5.000 extra gezinnen, kinderen en jongeren ondersteund en begeleid worden.

Intensieve samenwerking
De integrale jeugdhulp is sinds maart 2014 een feit. De jeugdhulp zoals die door de Vlaamse overheid wordt georganiseerd, is de samenwerking op het terrein tussen zes hoofdrolspelers: Jongerenwelzijn, Kind en Gezin, het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), de Centra Geestelijke Gezondheidszorg (CGG), de Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) en de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB).

Stijgend bereik van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp
Kinderen, jongeren en hun gezinnen maken steeds meer gebruik van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. De jeugdhulp komt steeds meer naar onze gezinnen toe. Het bereik stijgt met 8%. Dit was ook een belangrijke ambitie van het decreet integrale jeugdhulp.

Crisisnetwerken: grote bekendheid
De crisisnetwerken oefenen door de herkenbare en bereikbare meldpunten een sterke aantrekking uit op vragen naar directe ondersteuning. Er zijn zes crisismeldpunten in Vlaanderen en Brussel. Het aantal aanmeldingen stijgt met 26 procent. Van 6.527 in 2015 naar 8.268 in 2016. Ook het aantal betrokken minderjarigen stijgt van 7.679 naar 9.868 (stijging met 28 procent). Vooral de grote stijging van het aantal vragen om consult valt op.
Naast de professionelen bellen ook steeds meer gezinnen zelf naar de meldpunten. De netwerken zijn in de voorbije jaren herkenbaar geworden en 24 op 24 uur bereikbaar. Ook de integratie met het aanbod van de geestelijke gezondheidszorg maakt dat steeds meer vragen via de netwerken worden gecapteerd. Vorige maand werden deze meldpunten nog versterkt met bijkomende personeelsleden.

Wachttijden aanpakken
Er werd de vorige jaren systematisch geïnvesteerd in jeugdhulp, maar om een juister beeld te krijgen op de wachttijden moest de registratie ervan nog verder uitgewerkt worden. Voor alle vormen van jeugdhulp moeten die wachttijden ingekort.

De gemiddelde wachttijd bedraagt voor de sector van Kind & Gezin 122 dagen, voor Jongerenwelzijn 198 en voor het VAPH 277 dagen. In totaal stonden op 31 december 2016 4.922 jongeren op een wachtlijst. Dat is een aanzienlijke daling in vergelijking met vorig jaar toen er 7.347 jongeren waren aangemeld. De daling heeft vooral te maken met het correctere beeld op de wachtlijsten.
Dat jongeren op gevraagde hulp wachten betekent niet dat er voor hen geen enkele vorm van begeleiding was. In de meeste gevallen is er voor hen een alternatieve oplossing gevonden of wachten ze op een bijkomende ondersteuning.

Pleegzorg in de lift
Pleegzorg is, vooral bij jonge kinderen, de eerste optie als er toch beslist wordt tot een uithuisplaatsing. Op 31 december 2016 waren er in totaal 6.062 pleegzorgsituaties, (7.012 jongeren). In vergelijking met het jaar ervoor is er een stijging met 405 pleegzorgsituaties (7 procent). Dat is de tweede stijging van deze grootte op rij: + 14 procent sinds 2014.

Extra investeringen
Stefaan Van Mulders, leidend ambtenaar van Jongerenwelzijn: “We ontvangen vanop het terrein signalen dat de wachttijden, zowel bij de laagdrempelige als gespecialiseerde hulp, stijgen. We zien naast de stijging van de crisisjeugdhulp ook zo’n twintig procent meer aanmeldingen bij de ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ) in het kader van verontrusting.”

“Verdere analyse is nodig”, zegt Van Mulders. “Heeft het te maken met maatschappelijke evoluties? We gaan dit de komende maanden verder onderzoeken en de cijfers en tendensen op de voet volgen. In ieder geval zijn er extra investeringen nodig. We zijn blij dat minister Vandeurzen het signaal op het terrein oppikt en voor de komende jaren een groeipad verzekert. We rekenen er op dat ook dat we ook in de komende jaren kwetsbare jongeren en hun gezinnen voldoende kunnen en zullen ondersteunen. Hoe vroeger we kunnen ingrijpen, hoe beter. Iedereen wint hierbij, ook de samenleving zelf.”

Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin: "Willen we in Vlaanderen de huidige tendensen – een stijgend gebruik van zeer nabije ondersteuning, het afdammen van onze crisisnetwerken en onze gezinnen ondersteunen in wachtperiodes – keren dan moeten we investeren in een snelle, preventieve en lokaal voldoende nabije jeugdhulp. We vertrekken hierbij van ‘1 gezin = 1 plan’ waarbij iedereen betrokken op een gezin, kinderen en jongeren ook mee instaat voor de continuïteit van de jeugdhulp. Hiervoor investeren we in een 2.0-aanpak door extra ondersteuning en opvang.”

Aanpak Jeugdhulp 2.0 in 5 punten

De komende twee jaar zal Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin de sector met bijkomend 25.000.000 euro versterken.

1. Brede instap versterken
De brede instap moet haar rol om het eerste aanspreekpunt voor gezinnen op te nemen meer waarmaken: herkenbaarder en toegankelijker voor ouders en jongeren. Hierin spelen de Huizen van het Kind, de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en Centra Algemeen Welzijnswerk (CAW) een voorname rol.

2. Versterken van aanbod rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp
Meer inzet op ondersteuning en hulp bij opvoedingsvragen en -problemen. Maar ook inclusief en gericht op hulp bij kinderen en jongeren met een handicap en op de bevordering van de geestelijke gezondheid. Regionaal versterken we hiertoe alle rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp die snelle, outreachende ondersteuning en hulpverlening biedt als antwoord op de vele vragen van onze gezinnen, kinderen en jongeren.

3. Bijkomende investeringen met duidelijke netwerkafspraken
Alle investeringen worden uitdrukkelijk gekoppeld aan netwerkafspraken, m.a.w. het aanbod kan enkel uitgebreid worden als er duidelijke afspraken zijn: wie zet wanneer de gevraagde hulp in? Op welke termijn? Waar wordt die bijkomende hulp ingezet zodat die ook herkenbaar is? Wie treedt op als er verontrusting is? Enzovoort.

4. Ook meer gespecialiseerde jeugdhulp wordt versterkt
Niet alle vragen dichtbij of snel kunnen worden beantwoord. Daarom wordt voorzien in de versterking van het niet-rechtstreekse jeugdhulpaanbod: dit zijn meestal vormen waar residentiële zorg al of niet tijdelijk noodzakelijk wordt. Voor jonge kinderen wordt het groeiritme van Pleegzorg aangehouden en voorzien we extra financiering voor de zorg voor jonge kinderen. Voor jongvolwassenen komt er capaciteit in kleinschalige wooneenheden bij.

5. Inzet in verdere monitoring en doorstart longitudinaal onderzoek
Tot slot moeten investeringen ook verder afgezet worden tegen een steeds groter inzicht in de noodzaak van meer intersectorale afstemming en inzet van de middelen. Een unieke registratie via rijksregisternummer en de doorstart van het longitudinaal onderzoek zijn hierbij duidelijke acties die we ondernemen.

>> Meer info: www.jaarverslagjeugdhulp.be

 

Volg mij ook via

Volg mij op Flickr